Ik kan de weg nooit vinden wanneer het donker is. Ik noem het mijn nachtblindheid, ook al weet ik dat dat het niet echt is. Ik verdwaal wanneer ik geen kleur zie. Ik raak liever niet verdwaald. Ik dool al zo veel rond in mijn eigen hoofd, doorheen mijn eigen lichaam, en het idee van dobberende gedachten in een dwalend lichaam schrikt mij af. Maar naast deze schrik is er ook een soort zelfvertrouwen in mij aanwezig dat mij verteld dat ik de weg toch wel zou kunnen vinden. En wanneer het donker is vind ik deze weg telkens niet. In schaamte grijp ik dan na een half uur de verkeerde richting in ben gelopen weer naar mijn telefoon. Mijn studioappartement bevindt zich in een lichtblauw pand. Het is zo lichtblauw, dat het voor sommigen misschien als grijs of wit zal ogen. Maar ik weet dat ook de kamers, en de schouw die mijn bureau omlijst, in verschillende tinten blauw beschilderd zijn. Ik herken het huis omdat het blauw is.